Artikelen
§ 1. Inleiding
De grootste hindernis om iets te leren, is denken dat je 'het' allemaal al weet. Nu is er een groep in onze samenleving
die zichzelf 'wetenschappers' noemt. Dat zou tot de conclusie
kunnen leiden dat leden van die groep 'het' al weten, maar kan evengoed gezien worden als een hindernis tot leren en daarmee leiden tot het dogmatisme dat sekten eigen is.
Dé eigenschap die ten grondslag ligt, of moet liggen, aan (zich altijd
ontwikkelende) wetenschap is nieuwsgierigheid. Uit talloze, a priori afwijzende, reacties van 'wetenschappers' op uitspraken
die niet onmiddellijk met de hun aangeleerde geloofsovertuiging overeenkomen, blijkt dat van echte nieuwsgierigheid zeer vaak
geen sprake (meer) is. Het vooroordeel 'het' al te weten,
maakt velen uit deze geloofsgemeenschap veeleer tot verdedigers van de status-quo.
Zelfs als de nieuwe gegevens worden aangedragen door leden van de eigen groep, die de moed
hadden om afwijkend onderzoek te doen, komt men meestal niet verder dan het in de ban doen van deze afvallige(n).
Door de eeuwen heen is vooruitgang steeds te danken geweest aan personen die weigerden zich aan te passen aan het tot dan toe
heersende geloof. Als we in de geschiedenis duiken, zien we
steeds weer, dat de vernieuwers worden verketterd door de groep die op dat moment de ('wetenschappelijke') instituten overheerst.
'Heel veel mensen zijn de gevangenen van de denkbeelden van hun tijd', zegt men wel eens. In bijna elke tijd hebben
de leidende figuren in de samenleving hún waarheid gezien als vaststaand gegeven en verkocht als dé waarheid en 'nieuwlichters' (het nieuwe licht) als een gevaar afgeschilderd.
§ 2. Wetenschap
In de achttiende eeuw werd een scheiding manifest, die op zich op dat moment nodig was om verdere ontwikkeling mogelijk te maken; de scheiding tussen godsdienst, staat en wetenschap. Dit bracht allerlei ontwikkelingen op gang, die je zou kunnen samenvatten als ‘bevrijdings’-bewegingen (democratieën, emancipatie, vrij empirisch onderzoek, enz.). Sinds de achttiende eeuw overheerst hier in toenemende mate
het materialistisch wereldbeeld, dat het universum ziet als een ‘zielloos uurwerk’ (Newton). Op basis daarvan
ontwikkelt zich het natuurwetenschappelijke paradigma, met zijn basiswetten voor de, verondersteld, geestloze materie. Ze verklaart alleen dat van waarde wat te meten is ('meten is weten').
Die benadering heeft voor een gigantische sprong voorwaarts gezorgd en de zeker fascinerende resultaten hiervan hebben
vrijwel de gehele westerse bevolking van een (oude) nieuwe afgod voorzien, maar ook van nieuwe en dit maal mogelijk
alle leven bedreigende, door de mens zelf veroorzaakte, problemen. Veel mensen zijn zodanig gehypnotiseerd geraakt door de vele (ook nuttige) speeltjes die dat meebracht, dat zij dat geloof (er bestaat geen ‘geest’) voor de werkelijkheid zijn gaan houden.
Gevolg is dan:“Deze natuurwetenschappelijke benadering geeft hét antwoord op álle terreinen.” Daarin bestaat dus alleen materie en wordt geest ontkend, ter zijde geschoven en/of belachelijk gemaakt. Zelfs in de zogenaamde geesteswetenschappen, psychologie (met als overheersende stroming de gesdragsaanpassing) en psychiatrie (waarin de biologische variant steeds meer
de overhand krijgt), wordt het bestaan van 'geest', 'ziel', ontkend,
waardoor men respectievelijk niet verder wil en kan gaan dan:
een uiterlijke aanpassing en/of onderdrukking in
een inwendige chemische oorlogsvoering.
‘Iedereen’ kan om ons heen (en in zichzelf) de gevolgen zien
van die ontheiliging van het gewone. Wat nu pas echt goed zichtbaar wordt, is dat er allerlei grenzen zijn overschreden en dat de meeste nieuwe ontwikkelingen met het oplossen van oude problemen, nieuwe schiepen. Er is bijvoorbeeld nog nooit in de geschiedenis een tijd geweest, waarin een, ogenschijnlijk bevoorrecht, klein deel van de wereldbevolking in zo’n overweldigende uiterlijke rijkdom leefde. Tegelijkertijd wordt dáárdoor voor tweederde van de mensen
een menswaardig bestaan zo goed als onmogelijk gemaakt en slaat bij dat ‘bevoorrechte’ deel de geestelijke armoede toe. Getuigen van die bewustzijnsarmoede in de rijke wereld zijn:
a. de enorme zelfdodingscijfers; ruim 120 per maand in Nederland (daar wordt zo min mogelijk publiciteit aan gegeven),
b. het alsmaar groeiende leger van psychisch zieken,
c. de vervreemding, ont-aarding, van grote delen van de bevolking,
d.het om zich heen slaande vandalisme en de toenemende criminaliteit,
e. de feitelijke weigering de armoede elders, en de eigen rol daarin werkelijk aan te pakken, en
f. het toenemende gebrek aan respect voor LEVEN.
De natuurwetenschap beschrijft niet de natuur, maar slechts de telbare, meetbare, materiële aspecten daarvan. De natuur
is oneindig veel meer dan dat. De wereld is een levend organisme en geen becijferbaar leefgebied voor een ‘werkelijkheid’ die functioneert als een machine.
• Een wetenschapper die een ratje ontleedt, gaat toch niet
beweren dat daar op tafel een rat ligt omdat alle losse onderdelen daar ‘mooi’ op een rij liggen. Wat een rat tot een rat maakt, zijn die samenstellende delen in een
bepaald verband plus nog iets; (laten we het voorlopig energie noemen). Over dat meest wezenlijke aspect van
het rat zijn, weet die ‘natuurwetenschap‘ h e l e m a a l niets.
• Een hersenwetenschapper kan meten welke chemische stoffen er in mijn hersenen actief zijn, welke er ontbreken, of in een erg hoge dosering aanwezig zijn en welke transmitters
functioneren, enz. (En hoewel hij mij helemaal niet kan vertellen of die staat van materieel functioneren de oorzaak,
of het gevolg van processen is, wordt vanuit een
materialistisch standpunt ‘automatisch’ verondersteld dat
daar de oorzaak van veel disfunctioneren ligt.) Fundamenteler echter is, dat hij mij met al dat meet-weten
niet kan vertellen wat de inhoud is van mijn denken en voelen,
hetgeen voor mij veel essentiëler is. Het enige wat hij kan waarnemen (ook al bevindt zich dat ín mij) is dus oppervlakte, uiterlijkheid, materie. Dit soort
oppervlakkige ‘wetenschap’ (omdat zij zich alleen bezig
houdt met wat ik verderop de buitenkant van de werkelijkheid ga noemen) is ten ene male ongeschikt om
diepte, betekenis, geest, zelfs maar waar te nemen.
Vaak voegt men aan de pretentie 'wetenschappelijk' dan ook nog het bijvoeglijke naamwoord 'objectief' toe. De werkelijke
betekenis van dat woord is object-achtig, voorwerp-achtig. In zoverre zou je dat woord dus op zijn plaats kunnen noemen,
maar feitelijk pretendeert men met het gebruik hiervan iets geheel
anders. Men hecht aan dit adjectief een absoluut waardeoordeel. Iets dat ‘objectief natuurwetenschappelijk’ is vastgesteld, wordt gezien voor de gehele en enige waarheid. Daartegenover wordt iets dat subjectief (= mens-achtig) is ervaren, maar als van een lagere orde beschouwd en in de ergste gevallen als onzin weggezet.
Deze materiewetenschap levert zelf het bewijs van haar geloofachtige karakter. In de loop van de geschiedenis is het herhaalde malen voorgekomen dat iets dat objectief natuurwetenschappelijk als bewezen gold, later moest worden herzien. Het is komisch (of triest) om te zien hoe nu nog steeds de aanhangers van dat materialisme zich aan verouderde opvattingen vastklampen, terwijl mensen als Bohr, Einstein, Planck, Heisenberg, e.v.a. al lang 'natuurwetenschappelijk'
hebben 'aangetoond' dat die materie in essentie zó ‘niet bestaat’. (Let wel; we hebben het hier over Nobelprijswinnaars voor de natuurkunde, het neusje van de zalm op hun vakgebied.)
Het behoudende deel van onze samenleving probeert dat verouderde en inadequate wereldbeeld hoog te houden met verwijzing naar ‘de oude natuurwetenschap'. Maar de moderne fysica heeft dat mechanistische, materialistische pad, zei het schoorvoetend en met strijd, al geruime tijd verlaten en is steeds dichter uitgekomen bij het esoterische wereldbeeld, waaraan een allesomvattende en dus universeel ecologische kijk op de levende wereld ten grondslag ligt.
In de eerste helft van de 20ste eeuw deden natuurwetenschappers die zich bezig hielden met sub-atomair-onderzoek een aantal ook voor hen aanvankelijk verbijsterende ontdekkingen, o.a
• Materie is niet meer en niet minder dan verdichte
energie, die, indien tot in de kleinste dimensies
onderzocht, uiteindelijk één grote leegte te ‘zien’ geeft (een atoom is veel meer leegte (99,9999%) dan
materie en dat geldt ook steeds voor haar onderdelen). Het allerkleinste, dat met een duizelingwekkende snelheid steeds verdwijnt en verschijnt, heeft men geen ander naam kunnen geven dan”niets-ietsen”.
• Waardevrije waarneming bestaat niet; afhankelijk van de vóóronderstellingen waarmee men onderzoekt,
vindt men, óók in het gebied van het exacte en meetbare (zie de discussie over golven of deeltjes en het onzekerheidsprincipe).
• De basis van al het bestaande is bewustzijn (eenvoudig
aantoonbaar in interferentiepatronen van licht en in
draairichtingsmanipulatie van paarvormige subatomaire deeltjes).
Dat bracht een enorme schokgolf teweeg binnen de natuurkunde en een hevige strijd. Uiteindelijk is de moderne fysica een beschrijving
van 'de werkelijkheid’ gaan hanteren die verbluffend veel overeen-komsten vertoont met verklaringen van personen met mystieke
diepte-ervaringen (en die verklaringen zijn vaak al 2½- tot
3-duizend jaar oud). Wie een klein beetje thuis is in oude Boeddhistische en Hinduïstische en Indiaanse en Christelijk mystieke
geschriften, herkent de ontdekkingen van de moderne natuurkunde
daarin. De meeste moderne natuurkundigen hebben het idee dat er alleen geestloze materie bestaat, al meer dan 50 jaar laten varen. De meeste techneuten, die zichzelf vaak ten onrechte wetenschappers noemen, en vrijwel alle menswetenschappers en 'gewone' burgers
zijn, vanuit gebrek aan inzicht in de ontwikkelingen in de fysica, vast blijven houden aan een verouderd denken over wat werkelijkheid is.
§ 3. Spiritualiteit
Veel mensen hebben zich in de afgelopen decennia afgekeerd van de hen onderdrukkende, beperkende godsdiensten. Dat is voor velen een pijnlijke worsteling geweest. Voor anderen was het de bijna vanzelfsprekende uitkomst van een toenemende ‘wetenschappelijke’ benadering van de werkelijkheid. Omdat de termen godsdienst en religie en spiritualiteit ten onrechte als inwisselbaar worden beschouwd, keerden zij zich af van een terrein, waarvan zij in feite de werkelijke inhoud niet kenden.
Ook op dit moment wordt er onder de noemer van spiritualiteit
allerlei trala verkocht aan goedgelovigen. Dat gebeurt zowel in de (overheersende) stromingen van de gevestigde godsdiensten als in
wat algemeen op één hoop geveegd wordt als alternatieve gezondheidszorg of “New Age”. Het is begrijpelijk dat kritische mensen zich dáár van afkeren. Maar van mensen die tot de jaren des onderscheids gekomen zijn, zou je volgens mij mogen verlangen dat ze in staat zijn onderscheid te maken, of bereid zijn dat te leren, tussen enerzijds afhankelijkheid bevorderende
'mumbo-jumbo'-rituelen en anderzijds inzicht gevende en bewustzijnsverruimende en vrijheid bevorderende en zelfverantwoordelijkheid stimulerende activiteiten. We weten toch dat generaliserende schijnbewegingen meestal dienen om verantwoordelijkheden te ontlopen (Bijv. ‘alle politici zijn toch corrupt’, ontslaat zgn. van de verantwoordelijkheid om energie te steken
in het maken van onderscheid en bewuste keuzes).
Toen ik zelf in mijn pubertijd (late jaren ’50) in de gaten kreeg hoe de (katholieke) kerk zich in het verleden misdragen had, zich meestal had opgeworpen als verdediger van onrechtvaardige maatschappelijke verhoudingen en nog steeds volharde in die houding,
heb ook ik alles wat met geloof te maken had, overboord gezet. Enige jaren later werd ik op de Pedagogische Academie geconfronteerd met een Karmeliet die ‘moderne theologie’ doceerde. Van al mijn docenten toen was hij (dus nota bene een kloosterling) de enige persoon die “het” had; leven, begeestering en persoonlijke én maatschappelijke betrokkenheid. Als gevolg daarvan ben ik gaan onderzoeken wat de diverse religies nu in feite bedoelen en/of praktiseren. Dat heeft mij doen begrijpen dat de basisinspiratie
ervan steeds eenzelfde diepe persoonlijke ervaring, een realisatie van éénheid, niet als theorie maar als ervaring, is geweest. Een ervaring die, gezien de vele uitspraken in verscheidene mystieke geschriften, volledig aansluit bij de ontdekkingen van de moderne fysica uit de vorige paragraaf. Let wel; er is een levensgroot verschil
tussen theoretisch begrip van eenheid en geest enerzijds en de ervaring
van die diepten.
Personen met deze diepte-ervaring, met dit binnendoor contact met de kern van de werkelijkheid, die in mensen in hun omgeving slechts oppervlakkigheid waarnamen, hebben meestal geprobeerd ook anderen tot grotere diepte aan te sporen. Maatschappelijk gezien is dat meestal als een groot gevaar beschouwd,
omdat mensen die leven vanuit diepte niet meer zo makkelijk te manipuleren zijn. Velen van hen zijn dan ook vermoord. In vrijwel alle geloofssystemen die volgden, is de aanvankelijke focus op groei naar die persoonlijke ervaring die vrij maakt, verworden tot machtspolitieke instituten die die vrijmaking nu net zijn gaan blokkeren. In plaats van het stimuleren van zelfonderzoek, vrijheid, creativiteit en
persoonlijke groei, is men mensen in de meeste gevallen een kleuter-
surrogaat voor religie gaan voorhouden. (Religie is in mijn definitie gericht op de ervaring van Geest, van verbondenheid, van éénheid van al het bestaande; van de universele ecologie.) Op die manier waren
mensen namelijk het eenvoudigst af te houden van een werkelijk zelfstandige en kritische en dus ook verantwoordelijke houding.
Dat past natuurlijk uitstekend bij de wens van een meerderheid om verantwoordelijkheden buiten zich te plaatsen, over te dragen aan anderen, om rustig te kunnen blijven slaapwandelen. In plaats van
eigen onderzoek kwamen geloven en goedgelovigheid en in het verlengde daarvan manipulatie en onderdrukking. Met het toenemen
van scholing onder bredere lagen van de bevolking werd het echter voor velen steeds eenvoudiger om allerlei drogredeneringen te ontmaskeren. Daarbij werd veel mensen duidelijk in wat voor
onnatuurlijk keurslijf (keurslijk) ze vele jaren hadden vast gezeten en hoeveel pijn en moeite en strijd het hen kostte om zich daaruit los te maken. Dat leidde terecht tot een massale uittocht uit díé status quo. Daar komt nog bij dat steeds meer mensen gingen ontdekken dat nogal
wat ‘geestelijken’ zelf niet leefden naar wat zij preekten. In de ergste gevallen bleken ‘liefhebbende’ pastoors, dominees, broeders en zusters anderen regelrecht te misbruiken. Getuige daarvan zijn o.a. de vele aan
hen toevertrouwde kinderen die door leden uit die groepen, seksueel
misbruikt of psychisch mishandeld zijn. (In mijn praktijk als therapeut kom ik daar nogal wat schrijnende gevallen met langdurige gevolgen van tegen.)
Het is m.i. veelbetekenend, dat het "Onze vader" zoals wij dat hier kennen zeer sterk afwijkt van de oorspronkelijke tekst in het Aramees (Taal van Jezus van Nazareth). Daar luidt de eerste regel als volgt: "Bron van zijn, die ik ontmoet, in wat mij ontroert."
Dat gaat dus over een ervaring en niet over een vader ergens ver weg.
Omdat zichtbaar was dat ‘alle’ ‘godsdiensten’ eenzelfde infantiel vluchtpatroon en schijnzekerheid en afhankelijkheid propageerden, bleef er weinig anders over dan zich volledig af te keren van alles wat
met ‘religie’ te maken had en zich helemaal op iets anders te richten. Dat werd voor de meerderheid van de bevolking, aangespoord door
de overweldigende resultaten van de techniek, een volledige en eenzijdige gerichtheid op consumeerderen, op materiële zaken, omdat dat oppervlakkige instantbevrediging schenkt en helpt om te blijven ‘slapen’ (Verderop wordt duidelijk waarom dat voor velen zo verkozen wordt boven wakker worden.). De wetenschap had immers ‘bewezen’ dat er alleen materie bestaat; geest, spiritualiteit was iets
voor achtergebleven minkukels.
Een minderheid liet zich op een andere manier verleiden om oplossingen ‘veilig’ buiten zichzelf te zoeken, door anderen te
bestrijden en te vertellen hoe zíj het beter moesten doen; wij werden maatschappelijk actief. Slechts een klein gedeelte uit beide groepen is bezig geleidelijk aan
te ontdekken dat ze mét de verstarde en manipulatieve structuren en misvormde en misvormende ideologieën ook iets wezenlijks hadden
weggeworpen.
Het hoort bij een natuurlijke ontwikkeling van mensen dat zij zich op een gegeven moment in hun leven gaan afvragen: “Wie ben ik eigenlijk in essentie ?” “Wat is de zin van dit alles ?” “Waartoe leidt dit ?” Dat zijn bij uitstek vragen naar diepte; spirituele vragen.
Omdat de instituties die zeggen daar een antwoord op te hebben, intussen elke geloofwaardigheid hebben verloren en mensen vreselijk achterdochtig hebben gemaakt, kunnen grote groepen zich veelal niet openen voor de zich aandienende ‘nieuwe’ mogelijkheden voor het vinden van antwoorden.
Uit de bijbel kennen we een mooi symbolisch verhaal.
Adam en Eva worden uit het paradijs
gegooid, omdat ze hebben
gegeten van de ‘boom van
kennis van goed en kwaad’.
In dat verhaal wordt in feite beschreven wat ieder mens
meemaakt. Vanaf de leeftijd
van de baby gaan opgroeiende mensen onderscheid maken
tussen positief en negatief [overeenkomstig de (voor)oordelen van de samenleving waarin ze opgroeien]. Om in deze wereld te kunnen leven is dat ook nodig. Jammer is, dat zij die onderscheidingen gaan aanzien voor scheidingen. Wat er dan gebeurt is, dat men in zichzelf het zogenaamde negatieve gaat verbergen en het positieve aan de buitenwereld gaat tonen (en als het er niet echt is, gaat veinzen). Wanneer men nu op zoek
gaat naar zijn essentie, zijn kern, naar binnen gaat dus, dan komt men allereerst in zichzelf tegen wat men (als kind) negatief
heeft leren noemen (angsten, agressie, driften, uitbundigheid, enz., enz.)
en wat men derhalve liever niet (meer) ervaart. Bij onvoldoende inzicht in de rol die dat speelt in bewustwordings-
processen, wordt hier gestopt met echt zelfonderzoek en gaat men
weer over tot de oude gewoonte; het projecteren op anderen van wat
men niet in zichzelf onder ogen wil / kan zien.
Ervaren dat je liefdevol bent, heeft oneindig veel meer diepgang dan weten dat je liefdevol kunt zijn. Ervaren van geest-zijn, opent evenzo totaal andere dimensies dan alleen maar rationeel weten dat in feite alles geest is. Dat ervaren vindt in je midden, in de kern van je wezen plaats, daarvoor moet je inkeren (tot inkeer komen, betekent dus echt iets anders dan je schuldig gaan voelen) en daarvoor is discipline en begeleiding nodig.
De waarde van een schilderij ligt niet in de kwaliteit van de verf en het doek. Deze materiële bestanddelen zijn slechts de dragers en bemiddelaars van een idee. Linnen en verf maken dus zichtbaar, wat anders onzichtbaar blijft. Evenzo zijn letter en getal de formele dragers van een daaronder liggende idee, zonder welke ze zin-loos zijn. Al het zichtbare, concrete en functionele in de wereld is op dezelfde manier ’slechts’ de uitdrukking van een ’onzichtbare’, metafysische realiteit, die er inhoud, zin aan geeft. Daarom moet gezondheid o.i. gedefinieerd worden als een evenwichtige groei naar een toenemend bewustzijn.

Ik heb met vele anderen ervaren dat er diverse spirituële wegen naar meer diepgang in mijn eigen leven zijn, die mij vooral stimuleren om
helemaal mijzelf te zijn. Zij leren mij de aangeleerde (aangeleefde), maar niet bij mij passende conditioneringen los te laten en mijn schaduwaspecten te
onderzoeken en lief te hebben. Zij maken mij vrijer, gelukkiger, completer en ontwikkelen in mij meer mogelijkheden om helemaal míjn verantwoorde antwoorden op allereerst mijzelf, vervolgens mijn directe omgeving en ten slotte de verdere wereld te geven. Zij stimuleren mij kritisch, maar niet meer veroordelend naar mezelf, anderen en de wereld te kijken. Zij vragen niet van mij mij aan te
sluiten bij een geloofsgemeenschap, maar om echt mijzelf te onderzoeken, te ontwikkelen in al mijn aspecten en daardoor via ervaren, te weten. (Geloven doen mensen, omdat ze niet weten.) Zij helpen mij vooral om meer van mijzelf en anderen te houden. Vanuit mijn praktijk als therapeut kan ik waarnemen dat die ontwikkeling ook voor vele anderen geldt.
Dat heeft dus niets te maken met jezelf louter navelstaarderig terugtrekken uit de wereld. Voor het eerste ervaren van midden, stilte, geest, is tijdelijke afzondering weliswaar aan te bevelen, maar
uiteindelijk gaan verstilde individuen (= ongedeelden) vanuit de groeiende innerlijke ervaringsrijkdom volledig in de samenleving staan om te geven. Élke éénzijdige gerichtheid, die de andere kant ontkent, leidt tot fanatisme en vernietiging; de materialistische
benadering die geest ontkent, even erg als de fundamentalistische benaderingen die onze aardsheid ontkennen. De werkelijkheid bestaat uit binnenkant én buitenkant, uit geest én materie, uit het persoonlijke én het gemeenschappelijke.
Toen ik in 1968 aan de pedagogische academie afstudeerde, kwam ik tot de ontstellende ontdekking dat ik meer wist van Australië dan van mijzelf. In het onderwijs (toen én nu) ontbreekt vrijwel elke stimulering van zelfontdekking, van ervaren van innerlijke stilte, van
aandacht geven aan intuïtie, van acceptatie van het hele scala aan menselijke gevoelens, kortom; van diepte. En dan verwonderen velen zich er nog over dat oppervlakkigheid en desinteresse en ontmenselijking hand over hand toenemen. Pas in een opvoeding met echt respect voor alles wat er in jezelf omgaat, zonder onderdrukking, kan respect ontstaan voor vergelijkbare menselijke aspecten bij
anderen en voor het hele bestaan.
En dat heeft niets te maken met terugkeer naar ‘de oude normen’
waar veel conservatieve krachten in onze samenleving naar terug verlangen. Die zogenaamde ‘oude normen’ werden vooral afgedwongen door angst voor straf, hier of in het ‘hiernamaals’. Ze hadden weinig of niets te maken met vrijheid en/of ontwikkeling. Het los komen uit de vanuit machtsstructuren opgelegde ‘moraliteit’ heeft velen laten proeven van een grotere vrijheid. Die willen niet meer
terug in dat dwangbuis. Dat tegelijkertijd anderen volkomen losgeslagen zijn, is een logische reactie op vele eeuwen van repressie. Het getuigt niet van erg veel wijsheid om die losbandigheden opnieuw te willen insnoeren door middel van strengere straffen; macht. De
toegenomen vrijheid biedt mensen nu pas echt de mogelijkheden om zelf verantwoordelijkheid te nemen. De groeistuipen die daarbij horen, worden alleen werkelijk opgelost door de groei van een nieuwe
moraliteit van binnenuit te bevorderen. Daarvoor is vrijheid een absolute voorwaarde, naast weten over en ervaren van innerlijke diepte, die de relatieve waarde van materie doet inzien.