Artikelen

  • Meditatie
  • Onderzoek
  • Depressie en kanker
  • Literatuur
  • Boek: "Heel zijn Leven"
  • Holisme en Wetenschap
  • Kanker; patentgeneeskunde      & alternatieven
  • Orgaandonatie? Waarom     niet!
  • Dwarsliggers
  • Voeding en Preventie
  • Onderzoek


    Op deze pagina vindt u de samenvattingen van drie onderzoeken m.b.t. reincarnatietherapie [zie ook de pagina 'Reincarnatietherapie Regressietherapie'] die voor de beroepsvereniging (NVRT) zijn uitgevoerd door Dr. v.d. Maesen. Ondanks dat er aanvankelijk veel tegenstand was vanuit de universitaire wereld, is Dhr. v.d. Maesen intussen op zijn onderzoeken gepromoveerd. Zijn promotiewerkstuk en ook de andere onderzoeksrapporten zijn op te vragen via het verzendbureau van de NVRT.
    ( verzendbureau@reincarnatietherapie.nl )
    Verder volgt een kort verslag van een Portugees onderzoek.
    Ten slotte volgt een tekst over het schijnonderzoek van mevr. loftes.


    1. Het Satisfactie-onderzoek van de NVRT
    Door de toen inmiddels vijf jaar oude beroepsvereniging van reïncarnatietherapeuten (NVRT) werd in november 1991 aan haar onderzoeksbureau opdracht gegeven onderzoek te doen naar de satisfactie over de therapie na beëindiging ervan. Satisfactie wordt in dit onderzoek beschouwd als een mate van tevredenheid, met inbegrip van genoegdoening. Dit is de uitkomst van de vergelijking van het resultaat met de daarin gedane investering van tijd, geld en vooral verwachting. Aan 393, die toestemming hadden gegeven voor dit onderzoek, werd een vragenlijst (fase 1) verzonden. In de begeleidende brief werd een vertrouwensgarantie gegeven. Ruim 85% reageerde; deze groep kwam in aanmerking voor vragenlijst fase 2, die zes maanden na de response op de vragenlijst fase1 werd verstuurd. Ook nu was de reactie groot (87%). Satisfactiemeting heeft in dit onderzoek plaatsgevonden door:18 stellingen op formulier fase 1, grotendeels overgenomen van een onder RIAGG-cliënten in 1991 gehouden onderzoek; vragen over het resultaat van de therapie in termen van de grootte van de probleemreductie, in beide vragenlijsten fase 1 en 2 gesteld; en een door de cliënt toe te kennen waarderingscijfer aan de therapie en wel zes maanden na beëindiging ervan.
    Op de probleemreductievraag in fase 2 werd door 253 van de 301 responderende cliënten een direct en daardoor vergelijkbaar antwoord gegeven. Meer dan de helft van hen meldde geheel of grotendeels van hun problemen verlost te zijn (ruim zes maanden na beëindiging van de behandeling) en een kwart gaf op 'enigszins verminderd'. Het waarderingscijfer (schaal 0-10) kwam uit op 7,7 gemiddeld.
    Genoemde resultaten werden bereikt in 6,2 sessies (gemiddeld), overeenkomend met 15 uur therapie en een behandelingsduur van 1½ maand. Het therapieresultaat alsmede de voor psychotherapie relatief korte duur van de behandeling én de door cliënten aangegeven duurzaamheid van het effect verdienen aandacht van de gezondheidszorg en zijn hoopgevend voor hulpzoekenden.

    2. Reïncarnatietherapie bij patiënten met het syndroom Gilles de La Tourette
    Ondanks tegenwerking van het medisch adviescollege van de Touretvereniging hebben, naar aanleiding van advertenties en artikelen in enkele kranten- en tijdschriften 21 personen, die voldeden aan de diagnostische criteria van het syndroom Gilles de la Tourette (GTS), zich gemeld voor een onderzoek naar de effecten van reïncarnatietherapie (RT). Aanmelding geschiedde door het invullen van een verzoek tot deelname, een lijst met persoonsgegevens en twee vragenlijsten. De Inventarislijst Dagelijkse Bezigheden (IDB) is bedoeld om de mate van de vaak met GTS geassocieerde dwangverschijnselen vast te stellen. De GTS-symptoomlijst vraagt naar de frequentie van motorische en vocale tics en de sociale gevolgen van het syndroom voor GTS-patiënten. De beide vragenlijsten zijn samengevoegd.
    Van de 21 voor dit onderzoek aangemelde cliënten, hebben zich vier om uiteenlopende redenen voor het begin van de behandeling teruggetrokken en zijn 17 in therapie gegaan bij beroepsleden van de Nederlandse Vereniging van Reïncarnatietherapeuten (NVRT) in één van de periodes april/juli (therapiegroep) of september/december 1995 (controle- of wachtlijstgroep).
    Van de 17 cliënten die in therapie zijn gegaan, hebben 6 (35%) deze voortijdig, en wel na 1 tot 7 sessies, afgebroken. Bij twee van hen was het motief van financiële aard (eigen bijdrage en reiskosten) en bij een derde de door cliënt ervaren psychische belasting. Een cliënt brak af op aandringen van één der ouders, een ander omdat er verschil van inzicht bleek over de juistheid van de GTS-diagnose en de zesde zag niet snel genoeg resultaat.
    Aan 11 cliënten, die naar het gezamenlijk oordeel van therapeut en cliënt de therapie hadden voltooid, of het in het protocol genoemd maximum aantal sessies van 12 hadden bereikt, werden na afloop van de therapie voor de tweede maal de IDB en de GTS-symptoomlijst voorgelegd. Bovendien werd aan deze cliënten gevraagd om een oordeel te geven over het therapieresultaat en een waarderingscijfer toe te kennen voor de kwaliteit van RT. Tevens werd hen een satisfactie-vragenlijst voorgelegd. Ook aan een 'belangrijke andere' in het leven van de cliënt werd een oordeel gevraagd over het therapieresultaat, met name terzake van eventuele ticreductie.
    De vergelijking van de gemiddelde scores op de IDB voor en na de therapie laten een daling zien van 77,8 naar 66,7 bij genoemde 11 cliënten. De individuele scores geven aan dat bij 9 cliënten (82%) de dwangverschijnselen zijn afgenomen. Op de GTS-symptoomlijst daalde de gemiddelde score van 19 naar 13 en was er bij 10 cliënten (91%) sprake van enige tot aanzienlijke verbetering in de scores bij de vergelijking.
    Op de vragenlijst 'oordeel over het therapieresultaat' kon door cliënt eventuele wijziging in ticfrequentie worden aangegeven. Bij 8 cliënten (73%) is er sprake van een vermindering van motorische tics. Van hen zeggen 5 cliënten geheel of grotendeels van hun tics verlost te zijn. De gemiddelde ticreductie (motorische tics) van 8 genoemde cliënten bedraagt 55%. Ook terzake van vocale tics melden 8 cliënten (73%) ticreductie; van hen zeggen vier geheel of grotendeels van de tics verlost te zijn. De gemiddelde ticreductie van genoemde 8 cliënten bedraagt 66% (vocale tics). Van de vier cliënten die geen ticreductie melden, geven twee aan dat de therapie een andere betekenis voor hen heeft gehad en wel een vermindering van agressief en dwangmatig gedrag. Het oordeel van de 'belangrijke andere' terzake van ticreductie verschilt weinig met dat van de cliënt.
    Alle cliënten voldeden aan het verzoek om een waarderingscijfer voor de kwaliteit van RT toe te kennen. Vier cliënten gaven het cijfer 8, een maal 8½, twee maal 9 en vier maal 10, zodat het gemiddelde cijfer uitkomt op het cijfer 9.
    Het feit dat van de 11 cliënten die de therapie voltooiden bijna de helft beweert geheel of grotendeels van de motorische en vocale tics verlost te zijn, terwijl sommigen al 25 tot 35 jaar door hun tics gehinderd worden, mag als een positieve onderzoeksuitkomst getypeerd worden, te meer omdat hier sprake is van een 'usually lifelong syndrome' (APA, 1994). De door de cliënten gemelde effecten op de kernsymptomen en geassocieerde verschijnselen, alsmede de hoge satisfactie- en waarderingscijfers rechtvaardigen bijzondere belangstelling voor reïncarnatietherapie van GTS- patiënten en haar patiëntenbelangenvereniging in het bijzonder en van de geestelijke gezondheidszorg in het algemeen.


    3. Reïncarnatietherapie voor stemmenhoorders:
    In de jaren 1996 t/m 1999 is door Drs. R. van der Maesen (psycholoog) onder begeleiding van de Universiteit van Amsterdam in een promotie­onderzoek het effect van reïncarnatietherapie onderzocht bij een groep mensen die hinder hebben van stemmen zonder aanwijsbare bron. Onder hen was een aantal ambulante psychiatrische patiënten; anderen hadden geen psychiatrische stoornis.
    Voor een evaluatieonderzoek naar het effect en het proces van reïncarnatietherapie bij mensen die gehinderd worden door stemmen uit niet waarneembare bron (‘auditieve hallucinaties') werden via advertenties en een patiëntenbelangenvereniging stemmenhoorders opgeroepen. Voor dit onderzoek, een promotieonderzoek begeleid door de Vakgroep Klinische Psychologie van de Universiteit van Amsterdam, meldden zich 57 stemmenhoorders. Van hen voldeden 54 aan de insluitingcriteria, die geënt waren op auditieve hallucinaties in schizofrenie volgens de Diagnostic and Statistical Manual, de DSM-IV. Zij werden allen al geruime tijd gehinderd door stemmen en wilden daarvan verlost worden. De aanmelding voor dit onderzoek is bovendien een indicatie dat zij onvoldoende baat hebben bij bestaande behandelmethoden.
    Van de 57 respondenten meldden 38 een lopende behandeling bij een psychiater of psychiatrische kliniek en 8 bij de RIAGG. In 32 gevallen was er sprake van een medicamenteuze behandeling, voornamelijk met antipsychotica. Naast vragenlijsten voor het verzamelen van demografische gegevens en gegevens over de mate van ernst van de problematiek van het horen van stemmen, vulden de respondenten de algemene klachtenlijst SCL-90 in en ondertekenden zij een akkoordverklaring (informed consent) met de inhoud van het onderzoeksprotocol.
    Voor de behandeling van de stemmenhoorders hadden zich 60 leden van de Nederlandse Vereniging van Reïncarnatietherapeuten (NVRT), de sponsor van dit onderzoek, beschikbaar gesteld. Zij waren bereid een gratis intake-interview af te nemen en maximaal 12 sessies van 2 tot 2½ uur te doen tegen een sterk gereduceerd honorarium. De 54 stemmenhoorders die voor therapie in aanmerking kwamen, werden gerandomiseerd toegewezen aan één van de twee condities in het onderzoek.
    Één groep, de experimentele groep, kreeg therapie aangeboden in de periode september 1996 tot januari 1997. De andere groep, de controlegroep, kwam op een wachtlijst, met een toezegging van therapie in de periode februari 1997 tot juli 1997. Van de 27 cliënten in de experimentele groep hebben drie cliënten zich niet voor therapie gemeld wegens een heropname in een kliniek en konden twee cliënten naar het oordeel van de therapeut zonder psychiatrisch vangnet niet in behandeling worden genomen. Een cliënt trok zich terug wegens gebrek aan vertrouwen in psychotherapie. Van de 21 resterende cliënten in de experimentele groep hebben 7 cliënten de therapie na enkele sessies afgebroken, in 2 gevallen op initiatief van de behandelaar. De overige 14 cliënten hebben de therapie overeenkomstig het protocol afgerond. In de wachtlijstperiode dunde ook de controlegroep uit. Een cliënt overleed in een psychiatrische kliniek. Zes anderen trokken zich terug, onder andere om financiële redenen.
    Het effect van reïncarnatietherapie is onderzocht in een uitkomstonderzoek. In dit onderzoek is gekeken naar de statistische en naar de klinische significantie van de resultaten. De statistische significantie werd onderzocht met behulp van de algemene klachtenlijst SCL-90, die door alle respondenten in de voormeting was ingevuld en voor de tweede maal aan zowel de behandelde cliënten in de experimentele groep als aan de cliënten in de controlegroep werd voorgelegd. Met behulp van een variatieanalyse werd een statistisch significant verschil (p =.005) en dus een verbetering in algemene klachten ten gunste van de experimentele groep vastgesteld. Na deze meting hebben 20 cliënten uit de controlegroep zich gemeld voor therapie.
    Voor de bepaling van de klinische betekenis (significantie) van de therapie voor 27 cliënten uit de beide groepen die de therapie hebben afgerond werd, naast de klachtenlijst SCL-90, gebruik gemaakt van andere, voor dit onderzoek ontwikkelde vragenlijsten. Één van deze vragenlijsten had betrekking op cliënts oordeel over de therapie en de eventuele wijziging van het probleem stemmenhoren. Een andere vragenlijst ging over de mate van satisfactie van de cliënt over de behandeling en het therapieresultaat. Aan een externe beoordelaar, een psychiater, verbonden aan de RIAGG, was gevraagd zich een oordeel te vormen over het therapieresultaat door het afnemen van posttherapeutische interviews.
    De SCL-90 is zes maanden na de afronding van de behandeling aan alle cliënten voorgelegd: 14 van de 27 behandelde stemmenhoorders scoorden een significante verbetering. Er was sprake van 'significant' als de individuele scores in voor- en nameting een positief verschil vertoonden van één standaarddeviatie van de gehele groep. Uitgaande van de normscores voor psychiatrische patiënten en voor 'normalen' op de SCL-90 zijn elf cliënten in hun klachtenscores 'verschoven' uit de range van psychiatrische patiënten naar de range van normalen.
    Op de vragenlijst 'Oordeel van cliënt over het therapieresultaat, zes maanden na therapiebeëindiging', gaf 52% aan baat gehad te hebben bij de therapie ter zake van de hinder van de stemmen. Vier van hen waren sinds de therapie geheel stemmenvrij. Voor 78% had de therapie nog een andere, positieve betekenis. Het gemiddelde waarderingscijfer voor de kwaliteit van reïncarnatietherapie kwam uit op 7,8. Van de 21 cliënten die op de desbetreffende vraag een antwoord gaven, konden 20 de therapie aanbevelen voor stemmenhoorders. In 25 posttherapeutische interviews die door de externe beoordelaar zes maanden na therapiebeëindiging zijn afgenomen, heeft deze zich een oordeel kunnen vormen over de diagnoses en over het therapieresultaat.
    Als 'geschatte' diagnose meldde de externe beoordelaar bij 10 cliënten schizofrenie en bij nog eens 10 een andere psychiatrische stoornis. Als therapieresultaat werd gemeld: bij 6 deelnemers stemmen verdwenen of sterk gereduceerd in aantal, 8 deelnemers gaan er beter mee om en 11 deelnemers hebben ter zake van stemmenhoren geen verbetering. In interviews met 25 cliënten door dezelfde beoordelaar, één tot anderhalf jaar na het eerste interview, bleken de stemmen bij één stemmenvrije cliënt weer teruggekomen, na een afwezigheid van zes maanden. Bij de overige cliënten hebben zich ter zake van de stemmen geen verdere bijzondere wijzigingen voorgedaan.
    In het procesonderzoek is een poging gedaan om inzicht te krijgen in de factoren die het resultaat hebben beïnvloed of bewerkstelligd. Een bijdrage daartoe is geleverd door de behandelende therapeuten en door vier externe beoordelaars, twee psychiaters en twee psychologen. Door hen is geopperd dat de meerwaarde van reïncarnatietherapie ten opzichte van bestaande, reguliere vormen van psychotherapie, moet worden gezocht in de overeenkomsten in opvatting over metafysische verschijnselen bij een deel van de stemmenhoorders, met die van reïncarnatietherapeuten, die werken aan de hand van op die opvatting afgestemde modellen.
    Ook de behandeling van en omgang met zogenoemde vorige-levens-herinneringen, voor zover afkomstig van cliënten en door hen gepresenteerd als reële ervaringen, lijkt een specifieke factor in reïncarnatietherapie. Omdat vorige-levens-herinneringen in hetgeen bekend is over het menselijk geheugen een nog niet-erkend fenomeen is, wordt aanbevolen het nog onontgonnen gebied van de 'impliciete herinneringen' en het 'impliciete geheugen' diepgaand te onderzoeken, om meer inzicht te krijgen in de veronderstelde onverbreekbare relatie tussen geheugen en hersenen. Tenslotte wordt ook aan de sessieduur, 2 tot 2½ uur per sessie, klinische relevantie toegedicht.
    Het derde deel van het onderzoek betrof een fenomenologische studie van het verschijnsel stemmen. Er is geen twijfel over de ernst van de problematiek van het horen van stemmen, die bedreigend, angstaanjagend en beschuldigend zijn, vaak opdrachten geven en soms aanzetten tot automutilatief (zelfbeschadigend) en suïcidaal gedrag. Er blijkt ook bij een deel van de stemmenhoorders een gehechtheid aan de stemmen te ontstaan, leidend tot een groeiende afhankelijkheid. Naast de waarde van het aanleren van copingstrategieën zou therapie zich kunnen richten op existentiële aspecten van de stemmen, zoals de vraag waarom en onder welke omstandigheden de verbinding met de stemmen is aangegaan en wat ertoe bijdraagt dat deze verbinding in stand blijft en zo moeilijk te verbreken is.
    Conclusie uit de recensie van Henny Dekker in Klankspiegel d.d.1/3/2000: ”Als ik het boekje (onderzoeksverslag) lees, krijg ik de indruk dat vrijwel niemand schade heeft ondervonden aan de therapie en dat de cliënten veel baat hebben gehad bij de persoonsgerichte aanpak. De enige kritiek die ik zou kunnen geven is dat de therapeuten naar keuze ofwel reïncarnatietherapie, ofwel regressietherapie of gewoon gesprekken hebben gevoerd met de cliënten. Het aantal sessies in dit onderzoek (volgens het protocol: maximaal 12) was ook iets te gering om veel resultaten op de lange termijn te boeken. Dat neemt niet weg dat het baanbrekend is om een dergelijke therapie toe te passen op mensen met een problematiek die zo ernstig is als bij deze cliënten die uitgekozen zijn voor dit onderzoek.”


    4. Portugees hersenonderzoek met behulp van scans.
    Professor Doctor Mario Simoes uit Portugal is hersenspecialist. Hij heeft onderzoek gedaan naar de stadia van bewustzijn tijdens herinneringen van diverse soort.

    1. Hij liet studenten zich iets herinneren dat in hun jeugd was gebeurd en hij onderzocht studenten toen zij zeer vroege jeugdherinneringen uit hun huidige leven herbeleefden. Dergelijke herinneringen zijn verifieerbaar, namelijk bij de ouders van de 'cliënt'. Tegelijkertijd maakte hij hersenscans. Bij alle proefpersonen was het hersengebied dat actief was (X) hetzelfde.
    2. Vervolgens liet hij de deelnemers een verhaal verzinnen met de opdracht zich dat sterk in te beelden. Het hersengebied dat activiteit vertoonde was een duidelijk ander gebied (Y).
    3. Daarna liet hij de deelnemers in reïncarnatietherapie naar een vorig leven gaan. Daarbij beleefden zij dus herinneringen die in een andere tijd en in een ander lichaam zijn ontstaan. Bij deze herbelevingen en bij het vertellen over die ervaringen vertoonden de hersenen activiteit in het zelfde gebied (X) als waar de verifieerbare herinneringen zaten en dus niet in het fantasiegebied.

    Schijnonderzoek van mevr. Loftes
    Professor Elisabeth Loftes zegt dat ze een onderzoek in een groep studenten heeft gedaan, waarbij ze opzettelijk een ‘false memory’ creëerde. Ze beschrijft in haar boek dat dat haar aanvankelijk niet lukte, maar dat na zeer lang aandringen ‘als vanzelf’ die valse herinneringen ontstonden. Daaruit trekt zij de conclusie dat onomstotelijk is aangetoond dat dat is wat er gebeurt bij cliënten die zich gedurende therapie bewust worden van seksueel misbruik in hun jeugd. Uit het feit dat het haar als professor zo bijzonder veel moeite kostte om de studenten die valse herinneringen op te dringen, had ze veel logischer de tegenovergestelde conclusie moeten trekken. In een TV-uitzending van Witteman werd naar aanleiding van een bezoek van Mevr. Loftes de aanval geopend op alles wat onder de vlag vaart van hypnose, regressie, reïncarnatietherapie en droomtherapie. In dat programma waren ook aanwezig G. Wolters (psycholoog en werkzaam als ‘geheugendeskundige’) en P. van Koppen (gerechtspsycho-loog). Wolters ondersteunde de aanval op de aanwezige hypnotherapeut (dhr. Maas) door het “onderzoek” van mevrouw Loftes aan te halen. van Koppen stelde dat regressieherinneringen meestal zo bizar zijn, dat ze door de politie worden weggelachen. (Dat gebeurde overigens ook decennialang met meldingen van seksueel en ander misbruik door geestelijken.) Wolters vulde aan dat mensen die naar een regressietherapeut gaan, labiele mensen zijn, die langzaam een bepaalde richting op gedrukt worden. Dhr. Maas repliceerde dat hij alleen met stabiele mensen werkte; mensen die zo in hun leven staan dat ze de verantwoordelijkheid voor hun eigen leven nemen en de problemen in zichzelf willen oplossen. Witteman wilde weten of ‘deze praktijken’ zo maar mogen. Dhr. v. Koppen antwoordde dat dat helaas zo was en dat de overheid beperkende regels zou moeten opstellen. Witteman eindigde met dhr. Maas te bedanken voor het feit dat hij zich met verve had verdedigd. Uit dit alles kun je concluderen dat voor aanvang van het programma al vast stond dat het een aanval tegen dhr. Maas en ‘zijn soort praktijken’ zou moeten worden. De volgende dag werd in het programma “Netwerk” de aanval door dhr. v. Koppen nog eens herhaald. Duidelijk is dat de programmamakers al volledig op de hand waren van tegenstanders en helemaal geen neutraal standpunt innamen. Zij hadden duidelijk geen enkel onderzoek gedaan naar wat regressietherapie of reïncarnatietherapie nu feitelijk inhoudt. Ook hadden zij helemaal niet onderzocht of het ‘onderzoek’ van mevr. Loftes al dan niet valide was. Dit soort publicaties en programma’s heeft mogelijk nog een gevaarlijk effect. Het opent voor daders de mogelijkheid om hun daden af te doen als tijdens de therapie gefabriceerde herinneringen. Hoe bizarder datgene is wat zij hun slachtoffer hebben aangedaan, hoe sneller de rechter overtuigd zal zijn van een ‘false memory’. Het “University College” in Londen heeft het schijnonderzoek van mevr. Loftes wel eens grondig tegen het licht gehouden. Haar zogenaamde onderzoek blijkt geen enkele wetenschappelijke toets te kunnen doorstaan. [De gretigheid waarmee wetenschappelijke “deskundigen” en journalisten haar beweringen omarmen, zegt dus vooral iets over hun eigen vooringenomenheid.] Het instituut deed zelf een echt onderzoek onder therapeuten in het Verenigd Koninkrijk die met onbewuste herinneringen werken. Zij concluderen dat het bijzonder moeilijk is (ook in trance) om cliënten schijnherinneringen op te dringen en dat er bij de door hen onderzochte therapeuten in ieder geval geen enkele sprake was van door therapeuten ingeplante valse herinneringen. Vrijwel iedereen die aanwezig is geweest bij herbelevingen van ervaringen uit het verleden, zeker ook waar dat gaat om seksueel misbruik, is onder de indruk van de echtheid van de verschijnselen die de desbetreffende cliënt vertoont. Ik heb bij demonstratiesessies herhaalde malen van aanwezige toeschouwers gehoord, dat ze het onmogelijk achtten dat de cliënt deze belevingen verzon of slechts speelde. Ook stonden ze ervan te kijken dat ik me geen keer met de inhoud van de beleving bemoeide. Het zijn nu net de therapeuten die aanhanger zijn van het één-leven-geloof, die bij bovenkomende herinneringen aan seksueel misbruik, welhaast noodgedwongen volwassenen uit de omgeving van de cliënt als dader moeten aanwijzen. Dus vooral dat kan leiden tot een traumatiserende situatie voor onschuldigen. Reïncarnatietherapeuten zijn daarentegen geschoold om door te gaan met onderzoek tot duidelijk is in welke context (welk leven) de bovenkomende ervaringen thuishoren.

    Tenslotte:
    Hoewel de grote meerderheid der 'geestes'wetenschappers er van blijft uitgaan dat er van voor het derde/vierde levensjaar geen of nauwelijks herinneringen kunnen zijn, heeft onderzoek van D. Schachter en anderen al lang laten zien, dat er in het prenatale al sprake is van geheugen, zelfs in een stadium dat de ontwikkeling v. d. hersenen nog op gang moet komen.

    Vorige levensherinneringen zijn echt voor de cliënt. Onverwerkte ervaringen uit het verleden kunnen iemands leven ernstig overhoop halen, maar zijn indien vakkundig begeleid ook in staat de groei naar een werkelijke volwassen vrijheid te stimuleren. ..